Onderzoek arbeidsmarkt

Onderzoek onder afgestudeerde masters

Waar komen biowetenschappers terecht een jaar na afstuderen? Hoe vinden ze hun baan? Welke werkgevers hebben biologen in dienst? Antwoorden via de landelijke NIBI arbeidsmarktenquête.
Van 15 maart tot 15 juli 2015 vulden bijna 700 afgestudeerde masters biowetenschappen de mini-enquête in met vragen over hun arbeidssituatie, werkgever, aantal maanden dat het duurde om een baan te vinden en over hun salaris. De resultaten verschenen januari 2016 in Bionieuws.


In mei, juni en juli 2010 hield het NIBI een grote arbeidsmarktenquête onder recent en al langer afgestudeerde biowetenschappers en vroeg naar hun (werk)situatie precies een jaar na afstuderen en hun werk of andere bezigheden in 2010. Bekijk de resultaten van dit NIBI arbeidsmarktonderzoek.

 

Onderzoek onder werkgevers

Het NIBI deed in de periode mei tot oktober 2014, in opdracht van de biowetenschappelijke en biomedische opleidingen in Nederland, onderzoek naar de behoeften van werkgevers die biowetenschappers en biomedische wetenschappers in dienst hebben en nemen. Het verslag van dit onderzoek is nu beschikbaar. Bekijk het complete rapport 'Arbeidsmarktonderzoek Biowetenschappen en Biomedische Wetenschappen in Nederland' (pdf-file). Vragen over het onderzoek? Stuur dan een mail naar Ingeborg Scheurwater (scheurwater@nibi.nl).

De volgende in het oog springende conclusies komen uit dit NIBI onderzoek naar voren:

  1. De meeste organisaties zijn tevreden met het kennisniveau dat wordt afgeleverd. Biologen en biomedische wetenschappers kunnen ten opzichte van anderen beter systeemdenken. Alle organisaties zien graag breed opgeleide medewerkers.
  2. Qua kennisoverdracht moet er door de opleidingen beter worden gekozen. De huidige kennis binnen de biologie is zo groot dat je niet onder een keuze uit komt. Je hoeft overigens niet alles zelf te doen als docent. Universiteiten moeten meer samenwerken in onderwijsontwikkeling, nationaal en internationaal.
  3. Kennis van bio-informatica en het kunnen omgaan met big data wordt in alle sectoren steeds belangrijker. Wiskunde is de ‘taal’ die de moderne biologie gebruikt bij het beschrijven van processen en verbanden. Statistiek is onmisbaar bij de verzameling en verwerking van data.
  4. Het kunnen rapporteren in het Nederlands en Engels is van groot belang. Vooral in de ecologie sector en ook in beleid valt op dat het kunnen vertalen van gegevens naar een Nederlandse beleidsrapportage niet ontwikkeld is. Het gaat erom dat je rapport voor anderen begrijpelijk is.
  5. De meeste organisaties hebben een voorkeur voor PhD’s boven MSc’s. PhD’s zijn getraind in rapporteren van uitkomsten van onderzoek en hebben geleerd door te zetten in het stevige traject van promotie.
  6. Alle organisaties vinden één wetenschappelijke onderzoeksstage belangrijk. De tweede MSc stage zou vrijer kunnen worden ingevuld met een bedrijfsstage die minder strikte wetenschappelijke voorwaarden heeft. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om development, beleid of wetgeving natuurbeheer, kortom een omgeving van toepassing van wetenschappelijke kennis.
  7. Het valt organisaties op dat het werken in resultaatgerichte teams onvoldoende is ontwikkeld. In een team moet je de anderen vertellen waar je mee bezig bent, ook als iets niet goed gaat. Dat doe je om een goed resultaat te halen en/of om kosten van fouten te voorkomen. In de studie werken met interdisciplinaire projectteams kan studenten voorbereiden.
  8. Medewerkers moeten in staat zijn om de wens van klanten te begrijpen. In bedrijven zit je er niet voor de wetenschap. Het kunnen vertalen van theorie naar de praktijk, naar een product of dienst waar de klant om vraagt, is daarvoor nodig.
  9. Alle medewerkers moeten kunnen werken vanuit het bedrijfsbelang. Ze moeten de vaardigheid ontwikkelen om met  targets te werken. Ze moeten begrijpen dat tijd geld is en strategische keuzen leren maken. Je moet niet alles zelf willen doen.
  10. De vaardigheid om zelfstandig te handelen en te denken is nog onvoldoende ontwikkeld. Het valt op dat nieuwe medewerkers vaak nog stevig aan de hand moeten worden genomen. De student zou veel minder aan de hand genomen moeten worden om die zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid te leren.
  11. Niemand zoekt mensen met een van 9 tot 5 mentaliteit. Er wordt gezocht naar mensen met PASSIE voor het vak. Kandidaten die opvallen hebben vaak zelf een stageplek gezocht in het buitenland of bij een bedrijf dat aansluit bij de interesse van de kandidaat. Voor het zelf invulling geven aan een idee is doorzettingsvermogen nodig en flexibiliteit. Daar moet in de opleiding meer op worden gestuurd. Biologen en biomedische wetenschappers uit het buitenland die in Nederland komen werken vallen hierom vaak positief op.
  12. Bedrijven en organisaties roepen de opleidingen op om arbeidsmarktvoorlichting aan studenten zeer serieus te nemen. Laat studenten weten wat het werken in verschillende sectoren inhoudt en wat verwacht wordt van nieuwe medewerkers. Bedrijven en organisaties willen hier graag aan meewerken.


In 2009 voerde het NIBI ook onderzoek onder werkgevers uit. Het werkveld voor startende biowetenschappers bleek heel breed: van onderzoeksinstellingen tot communicatie organisaties.

Het onderzoeksrapport uit 2009 liet ook zien wat de werkgevers misten aan kennis, vaardigheden en attitude bij startende biowetenschappers door informatie te geven over het opleidings- en begeleidingstraject van starters. Bekijk het uitgebreide onderzoeksrapport uit 2009 'Doelgerichte universitaire biowetenschappelijke opleidingen' (pdf-file).